Geschiedenis van de Hoogmolen


500 jaar Hoogmolen

De Hoogmolen is een korenwatermolen aan de Hoogmolenweg op de Abeek. Hij werd voor de eerste keer vermeld in 1500. In het Register Kerkenrenten Ellikom van 1639 en 1650 vinden we de benaming Peerdermolen. De Hoogmolen was een zuiver heerlijke molen die de Heer van Peer toebehoorde, gelegen buiten Peer, voorbij Grote Brogel. De Heer van Peer had twee molens, de andere was gelegen op het gehucht van Molhem (de eigenlijke banmolen), ook Yetsmolen genaamd. De Hoogmolen was niet altijd bruikbaar als graanmolen voor de Perenaars (zij moesten naar de banmolen van Molhem), maar wel voor de “laten” van het laatgoed Ellikom. Hoe de Heer van Peer ervan in het bezit kwam, weten wij niet. De Hoogmolen bezorgde de grondheer van Peer een inkomen van ongeveer 70 gulden per jaar, hetzij 1/10 van zijn onkosten.

Uit het Rekenregister van Peer (1500 - 1534) weten we dat er ook laken werd gevold. Vollen is vullen, d.w.z. de uitstekende vezels in het laken doen dringen. Dit gebeurde in volkuipen (zwierders) die door de molen in beweging werden gebracht. Met urine of ammoniak werd het geweven laken tot krimping en vastheid gebracht. Zo staat in een tekst van circa 1515 “gevolt bennen dees vijff weecken 39 lakens, ontvangen daervoor 4,17 gld.”. Sommigen beweren dat de Peerder lakenwevers verschillende verkoophuizen van laken hadden in Antwerpen.

In datzelfde Rekenregister van Peer is er sprake van “Heynen de molder.” In het Kerkmeesterregister van Ellikom 1655 “Petrus de molener, gegeven om naer Yerselt (Eersel?) te gaen in de meyerei”. Verder 1630 “Tot Maastricht gegeven aen die getuygen om te onthalden ‘t gene sij van de molder souden begeren: 1 vaem bier = 6 stuivers. Item noch goed gedaen aen Lenart Lusterborgh doer faut van molder 2 gulden”. Er waren soms betwistingen over de molsterschotel die de molenaar van elke halster koren of tarwe mocht afscheppen.

Zo lezen wij in een acte van J.A.J. Morren, notaris te Peer op 17 augustus 1779 een verklaring van Jan Achten, oud-schepen en oud-burgemeester van Peer met getuigen ten huize van Batholotaeus Fissé, aktuele burgemeester van Peer: “dat hij verscheyde maelen greynen te maelen heeft gedaan op de molen van Elecom en dat hij deselve voor het opladen heeft gewogen voor getuygen” en wederom thuys gekreghen, en dat dikwijls is gebeurd 1/10 of 1/9 en soms 1/8 quyt was als het meel terugkwam”. Op 27 oktober 1797 legt Jacob Gielen een gelijke verklaring af. Op 13 november 1729 verklaart Hubert Reuvers dat 24 molsterschotels “gevult ende gestreken” gelijk zijn aan 1 halster peerdermate, en wel te weten dat er in die tijd aan de molster “een machien” (strijklat) was gebonden om dezelve te strijken en dat hij zulks zag doen als de molder zijn molsterrecht nam. Niet voor niets segde men vroeger van iemand die op de laatste dag zijn pasen hield: die gaat met de molders, d.w.z. op het laatste nippertje en met zwaar beladen geweten. Molenaars hadden altijd de vetste varkens en dikwijls een slechte naam!

In ruil voor deze molster die de molenaar afschepte, moest hij zorgen voor “een pert met eender kerre ende dagelijx te varen om coren te halen en meel weder te brengen”. De ouderen zullen hier terugdenken aan de molenkar, getrokken door een stevig molenpaard met kloter of klongelbel en begeleid door de moldersknecht. Zurkelkoren (?), evie en boekweit werd met een kleinere maat gemeten. Elke stad of grotere gemeente had dikwijls een eigen maat en gewichtstelsel. Zo ook het stadje Peer, vandaar “peerdermate”.

Omtrent het verpachten der Hoogmolen lezen wij in het Rekenregister van Peer “Anno 1500 Sint-Jansdach: die molen van Eelecom is dit jaer uytgegeven met behoerlijcke proclamatie voor 70 Rynsgulden 13 stuyver” De molen van Molhem werd verpacht voor graan, die van Ellikom voor geld of voor graan in geld om te zetten. “1529, ontvangen van de molen van Elecom 24 mudden en de molder laten lossen elk mudde met 2gulden 6 stuivers = 55 gulden 4 stuivers”. In 1519 was dit: 46 hornsgulden. In 1501 doet de drossaard van Peer reparaties uitvoeren aan de molen: “een yseren bant en werck in die moelen, een nieuw rad metten assche ende het rutselen, nieuwe scheven (schuiven?) met kampraet: 11 gulden. Item gegeven voor reparaties gedaen in de moelen tot Elecom dat bij mijnheer van Paelhem ongemaeckt bleef, te weeten om die plaayen te leggen en die wanden voert te leymen: 4,4 gulden”.

In het Register der Kerkerenten van Ellikom vinden wij als pachter-molenaar nog vermeld 1650 “Paulus op den hoghen molen huert den kerckhof (voor hooiwas?) aan 31 stuivers”. In de gichten der Schepenbank van Meeuwen lezen wij nog op 27 juni 1749 dat Jacobus Vliegen, wachtmeester te Meeuwen vercautioneert aan Marten Ketelbuters, pachter der banale molen van Peer genaamd Elecom molen ten grootsten deele op Elecom gelegen, volgens pachtcédule van 5 januari 1741 en Leenhof Kuringen 3 juni 1749. Prins de Gavre als graaf van Peer is eigenaar van die molen. Jacobus Vliegen stelt zich dus als borg voor Marten Ketelbuters die in proces was met Hr. Hollanders van Peer. Verder nog 13 juni 1775: Anna Lievens, weduwe van wijlen Pieter Verhees is schuldig aan molder Bloemen op de Hoogmolen te Ellikom 61,4 gulden en geen liggend geld hebbende zal zij haar korenoogst ten meest biedende verkopen wat op 21 augustus 1775 gebeurt door Antoon Bloemen, metser van Ellikom.

In 1627 en volgende jaren moeten de erfgenamen van Jan ten Daelen (Doelen?) van Helchteren jaarlijks 8 halster rogge Diestermaat leveren op de “Peerermoelenbrug”. Dit was een jaarlijkse rente die zij aan de kerk van Ellikom verschuldigd waren. In geld was het 14 gulden.

Molenreparaties komen herhaaldelijk voor bijv. “tot die sluys van Elecom 4 gld. 18 st. 5 oorden. Tot een nue molensteyn 25,5 gld.” De drossaard van Peer was 4 dagen uit geweest om die steen te kopen. Te Ellikom eveneens aan de Hoog- of Peerdermolen, timmerde Jan van “Tsarcel” “eyn nouwen solder ende eyn scauwe, ende eyn camer daerop te sceren ende eyn peertstal: 16 hornsgulden”. Ook “eyn notelarenblatt daer men scyven afmaeckt int rutselen”. (Rutselen zijn platen of schijven aan het raderwerk). Verder is er sprake van watersnood en stormschade: nieuwe plaaien (= fundament, onderste stuk van de muur) en dekwalmen worden aangebracht. (Peer, Rekenregister 1500 - 1530). De molenaar kreeg korting voor “quade jaeren” (onvoldoende water of oogst). Vaak werden Zonhovenaren bijgehaald voor molenherstellingen. Molenstenen werden o.a. uit Duitsland betrokken (familieWouters, Valentijns te Koersel).

De Hoogmolen is een onderslagmolen, d. w .z. dat ze wordt aangedreven door water dat tegen de bladen drukt aan de onderzijde van het molenrad. De molen staat aangeduid op de zgn. Ferrariskaart (1771-77) als een tweeledig geheel, met molenhuis ten noorden van de straat, molenaarswoning ertegenover, aan de andere zijde van de weg. In de eerste helft van de 19de eeuw kreeg de molen grosso modo zijn huidige vorm door de toevoeging van dienstgebouwen aan de oostzijde van het erf (Atlas van de Buurtwegen, 1845). De huidige gebouwen dateren van 1828 (smeedijzeren muurankers met het jaartal AO 1828 in de rechterzijgevel van het woonhuis), behalve het rechtergedeelte van het huidige, oostelijk dienstgebouw en de haakse uitbouw van het woonhuis: deze dateren uit het derde kwart van de 19de eeuw.

Het molenhuis (annex stal-schuur) was oorspronkelijk een vakwerkgebouw: verscheidene resten van het ankerbalkgebint bleven behouden. Het werd in verschillende perioden versteend: de laatste fase in 1904. Thans bakstenen gebouw van één bouwlaag onder zadeldak (Vlaamse en mechanische pannen), met wolfseind rechts. In het molenhuis een rechthoekige deur in houten kozijn. Rechthoekige schuurpoort onder houten latei. Lage stalpoort onder houten latei. Metalen molenrad van het onderslagtype. Betonnen sluiswerk. Het molenwerk is nog aanwezig.

In de 19de eeuw was de molen eigendom van de molenaarsfamilie Luyckx. Servaas Luyckx, overleden in 1845, werd opgevolgd door zijn zoon Willem Luyckx (°Meeuwen 1808 - Ellikom 1895), die burgemeester werd van Ellikom. Bij deling in 1899 kwam de molen toe aan Pieter Jan Leyssen (°Grote Brogel 1841 - +Ellikom 1913) gemeentesecretaris van Ellikom en gehuwd met Philomena Luyckx (°Ellikom 1847), dochter van Willem Luyckx. In 1913 kwam de molen toe aan Willem Leyssen-Langens (+1959), opgevolgd door zijn zoon Jan die de laatste molenaar werd.

In 1995 werd de molen beschermd als monument en samen met zijn omgeving als dorpsgezicht. Deze bescherming werd op 13.07.2005 gewijzigd (zie in bijlage). Het molenhuis werd gerenoveerd en ingericht als vakantieverblijf en brasserie: "Gasthof de Hoogmolen". Het molentechnisch werk werd uitgevoerd door Adriaens Molenbouw bv uit Weert. Ontwerper is het Architectenbureau Herman Adriaensens.

Lieven Denewet, met dank aan Henricus Beelen (Ellikom) en Nico Jurgens (Hoorn)

Foto's uit de oude doos

Bron: MolenEcho's, een website die het Belgische molenbestand up to date houdt, een initiatief van de vzw Molenzorg Vlaanderen